1/3
De Belgische speedwaygeschiedenis

Periode 1930 - 1958
Reeds lang voor de tweede wereldoorlog, in de jaren dertig, zijn de grasbaanwedstrijden in ons land gestart. Men noemde ze toen “weidekoersen”. In die tijd was het de belangrijkste motorsporttak in ons land, samen met de zeer elitaire snelheidswedstrijden. De nu zo populaire motorcross stond toen nog in de kinderschoenen. Slechts enkele crossen per seizoen werden gereden.
Limburgse vedetten uit die pionierstijd waren o.m. STIFKENS uit Genk en HUFKENS uit Hasselt.
Reeds vanaf de jaren twintig bloeide de echte speedwaysport reeds volop in Engeland. In 1937 waaide deze discipline min of meer over naar ons land. Er werd gestart met sintelbanen, een nieuwe formule. Deze koersen werden “dirt-track races” genoemd. Dit racen op sintelbanen kende een peilsnelle opgang. Vanzelfsprekend ontstond er snel een eigen Belgische motorgeneratie met jongens als Cyrille LEBOUTTE, Lambert DOCK, Hector HAUGLERSTAIRE e.a.. Volgens de overlevering kwamen onze Belgische jongens regelmatig uit in internationale wedstrijden tegen bekende buitenlanders als de Brit Phil BISHOP, de Duitser Walter BUTTLER en de Nederlander Piet VAN AARTSEN. Deze wedstrijden waren de voorloper van de latere speedwaywedstrijden en de long-track of sandbahnrennen in Duitsland.
Toen in 1940 wereldoorlog II uitbrak, lag alle motorsportbedrijvigheid stil.
Na de oorlog in 1946 verbleven nog een aantal Britse strijdkrachten in ons land. Onder hun impuls werd er op de Heizel te Brussel een grote internationale speedwaywedstrijd ingericht.

De deelnemers waren allmaal Engelse speedwayrijders, want België had toen geen eigen rijders. Dit evenement kende wel sukses. Maar omdat er geen Belgische rijders bij betrokken waren, kende dit initiatief geen navolging.
Nochtans heeft er in 1949 weer een groots opgezette speedwaymeeting plaatsgehad. Ditmaal in het Antwerpstadion. Ook deze meeting was een sukses.

Na de oorlog kregen de vooroorlogse weidekoersen en dirt-tracks op sintels een nieuwe benaming “pistekoersen”. Tot deze pistekoersen voelden zich ook een aantal jonge Belgische rijders aangetrokken : MARDAGA (Genk), DOM (Herentals), VEECKMANS (Hasselt), VAN DIJCK (Noorderwijk), BOURDOUXHE (Luik) en René HERCK uit Sint-Truiden. René Herck werd zelfs in 1948 seniorkampioen van België.
In de volgende jaren kwamen er andere kampioenen zoals Roger DEMEURICHY uit Antwerpen, René BRUYNEEL uit Poperinge, nu oud-voorzitter van de B.M.B-F.M.B..
Uit de grote organisaties te Brussel en Antwerpen ontstond de benaming “speedway”. Deze term was ingeslagen bij het publiek en bij de pers en alle pistewedstrijden werden als speedway betiteld, zelfs wedstrijden op 1000 meter paardenrenbanen!
Vanaf 1950 kwamen steeds meer Belgische rijders de speedwayrangen vervoegen : Clement ANTHONIS (Sint-Truiden), Frans HERBOTS (Halen), Gaston JACOBS (Halen), enz.
Ook de gekende Nederlander Paul CORDANG was in die dagen regelmatig te gast in België.
Op organisatorisch vlak liep alles gesmeerd. Er werd in samenwerking met de toenmalige Royal Limburg AMC, onder leiding van de BMB-beheerder Télesphore George uit Hasselt, een ambitieus plan uitgedokterd om de pistekoersen in Limburg een gevoelige uitbreiding te geven met wedstrijden te Hasselt, St.-Truiden, Maasmechelen, Eisden, Heers, Lummen, Wellen, Lommel, Hechtel, Alken enz. De meeste van deze wedstrijden werden gereden op gras of heideterreinen.
Ook in de andere provincies draaide de sport op volle toeren: Noorderwijk, Geel, Tielt, Oostkamp, Torhout, Poperinge, Esneux, Gésves, Ouffet enz. Zelfs de andere populaire sporttak - de zuivere snelheid - moest het in die dagen afleggen tegen de speedway. Rijders als VANDERSCHRICK uit Brussel en Jos THOMAS uit Waver kwamen over naar de speedway.
Gedurende een 5-tal jaren draaide de “speedwaysport” op volle toeren.
Daarop volgde echter een zwarte bladzijde in de speedwaygeschiedenis. Meerdere rijders verongelukten. VANDERSCHRICK verongelukte in 1951 op een 1000 meter renbaan te Poperinge. De gewezen Belgische kampioen Cyrille LEBOUTTE overleed aan een hartaderbreuk op de grasbaanwedstrijd te Lummen in 1952. Robert TOURNEUR bleef dood op een grasbaanwedstrijd te Waver in 1955.
De pistewedstrijden kregen toen de reputatie levensgevaarlijk te zijn. Het gevolg was dat er geen nieuwe Belgische rijders meer kwamen, zodat de glorierijke sport in 1958 volledig doodbloedde.